De Loekemeijermethode is een ontwikkelingsgerichte methode die de oorzaak van bepaalde gedragingen, zowel actieve als passieve, van mensen met autisme terug kan leiden naar het hechtingsproces tussen de desbetreffende persoon, de eerste gehechtheidspersoon (waar iemand als eerste naartoe gaat als er iets is, voor nabijheid, bevestiging en emotionele ondersteuning of andersom) en later aan de tweede gehechtheidspersoon en naasten/anderen.
Het hechtingsproces wordt weergeven in 7 verschillende fases waarbij er rekening gehouden wordt met de ontwikkelingsgebieden van de emotionele en sociale gehechtheid. Dit is een overkoepelende naam voor de ontwikkeling van de gehechtheidsrelaties, de emotionele en sociale ontwikkeling en de sensorische, emotionele en sociale informatieverwerking.
Er is zichtbaar in welke fase wat tot ontwikkeling komt waardoor verwachtingen bijgesteld kunnen worden. Vaak zijn er onrealistische verwachtingen en wordt gedrag als manipulatief of ingezet ervaren, terwijl dit nog niet ontwikkeld is in een lagere hechtingsfase.
Een gemiddelde ontwikkeling begint in fase 1 waarbij iemand zich richt op omgevingsgeluiden, voorwerpen, bewegende beelden en op het stemgeluid van de eerste gehechtheidspersoon. Iemand met autisme bevindt zich nog vóór fase 1, in de beginsituatie, waarbij hij zich nog niet vanuit zichzelf richt op het stemgeluid van de eerste gehechtheidspersoon zoals in fase 1. De gehechtheidspersoon kan contact maken met zijn/haar stemgeluid en het kind hiermee geruststellen. Bij iemand met autisme gaat dat dus nog niet vanzelf wat een onveilig gevoel kan geven.
De gehechtheidspersoon wordt in de beginsituatie nog niet opgezocht voor aandacht, nabijheid en het vervullen van praktische behoeften zoals eten/drinken waardoor ongemakken onopgemerkt kunnen blijven wat voor veel stress, paniek en onveiligheid zorgt.
Iemand met autisme doorloopt dus een extra fase. Er is een ‘achterstand’, langzamer verloop of stilstand in een van de eerste vier fases te zien. Deze fases zijn juist het meest cruciaal omdat iemand zich nog volop aan het hechten is aan de eerste gehechtheidspersoon. De eerste gehechtheidspersoon is dan nodig om op een passende manier tot dagelijkse, emotionele en sociale situaties te kunnen komen, zich veilig te kunnen voelen en om overzicht en duidelijkheid te krijgen. Er is angst voor vreemden omdat iedereen die niet de gehechtheidspersoon is, als een vreemde gezien wordt. In fase 4 of lager neemt iemand sensorische, emotionele en sociale situaties nog fragmentarisch en cognitief waar. Hierdoor kan er nog geen betekenis verleend worden aan dagelijkse, emotionele en sociale situaties omdat deze situaties waargenomen worden als losse fragmenten en nog geen verband hebben met elkaar. Dit zorgt ervoor dat situaties niet begrepen worden wat angst en stress kan veroorzaken omdat hij/zij de wereld niet begrijpt. Deze gevoelens kunnen nog niet zelf gereguleerd worden in een jongere hechtingsfase. Het is van belang dat er een eerste gehechtheidspersoon is die emotioneel betrokken en beschikbaar is, die vanuit verbinding in contact is met het kind/de jongere, die sensitief is en passende Actieve Nabijheid kan bieden om de fases verder te kunnen doorlopen. Hierdoor zal het kind/de jongere zich gezien, gehoord, geliefd en veilig voelen om verder te kunnen ontwikkelen. De eerste gehechtheidspersoon kan op een creatieve wijze, in eerste instantie gericht op de specifieke interesses, bijdragen aan het opdoen van positieve (scheidings)ervaringen waarbij hij/zij het kind/de jongere vertrouwen geeft, stimuleert, aanpast waar nodig en helpt te reguleren. De eerste gehechtheidspersoon kan op deze manier de aandacht van het kind/de jongere gaan richten op zijn/haar eigen gevoelens en daarna emoties. Later ook bij anderen. Dit zal ervoor zorgen dat gevoelens en emoties geplaatst en begrepen kunnen worden in zijn/haar eigen lichaam in plaats van cognitief beredeneerd waardoor diegene meer grip heeft op zijn leven en wat hij in zijn omgeving ziet.
Ook zal de eerste gehechtheidspersoon ondersteunen om zich meer te kunnen richten op zijn/haar omgeving in plaats van vooral op zichzelf.
Als iemand de fases verder doorloopt nemen de zogenoemde typische gedragingen van autisme, angsten, dwang, trauma’s en overprikkeling steeds meer af. Vanaf fase 5 kan iemand zich, vanuit de fases die eerder doorlopen zijn, van nature hechten aan een naaste en reageert iemand steeds meer vanuit het (aan)voelen en automatisme. Hierdoor kan hij/zij steeds meer duiden, zichzelf beter reguleren en daardoor vanaf fase 6 losgelaten worden omdat hij/zij zich dan ook aan anderen kan hechten.
In fase 7 is wederzijdse en emotionele gehechtheid en zelfregulatie mogelijk.
Door middel van een gehechtheidsonderzoek met de ouders en een kind/jongere kan gekeken worden in welke fase van de gehechtheid een kind/jongere zich bevindt en welke Actieve Nabijheid er geboden dient te worden.
De Loekemeijermethode is niet alleen gericht op autisme. Elk persoon doorloopt de fases van de hechting en kan gebaat zijn bij deze methode om vervolgstappen te kunnen zetten.